Seksuele opvoeding voor asielzoekers

Vorige maand had ik de kans om een cursus over seksueel geweld bij te wonen in Hå asielcentrum in de buurt van de Noorse stad Stavanger, samen met 14 mannen uit Syrië en Soedan die enkele maanden geleden zijn aangekomen in Noorwegen en wachten op behandeling van hun asielaanvraag. Een kortere versie van deze blog is gepubliceerd in De Standaard.

Noorse vrouwen zien er anders uit

“Welkom,” zegt cursusleidster Linda Hagen vriendelijk. “Ik wil jullie vertellen hoe Noorse samenleving denkt over geweld en verkrachting. We hebben jullie hulp nodig om samen risicosituaties te identificeren.”

IMG_9401
Cursusleidster Linda Hagen en tolk praten met asielzoekers over seksueel geweld.

Linda toont de deelnemers eerst een paar foto’s van vrouwen, mét en zonder sluier. En dan een vrouw in een kort, zwart kleedje en hoge hakken, die uitdagend op het hoekje een rode sofa zit. Wat denken de cursusdeelnemers: wat wil die vrouw? De deelnemers worden in kleine groepjes verdeeld om de foto’s te bespreken. Het gesprek komt moeilijk op gang. De groep deelnemers is erg divers: jongens en familievaders, moslims en niet-gelovigen, jongemannen vanop het Afrikaanse platteland en oudere mannen uit de grote Syrische steden Damascus en Lataka. Enkele deelnemers nemen voorzichtig het woord: de houding van de vrouw op de sofa kan verkeerd worden geïnterpreteerd: in sommige religieuze milieus kan dit als een uitnodiging tot sex worden opgevat. “Voor sommigen gewoon om een vrouw zo te zien, maar voor anderen is het de eerste keer dat ze zoiets zien,” reageert een ander.

“Jullie zullen veel Noorse meisjes ontmoeten die eruitzien als popsterren maar eigenlijk onschuldig zijn”

“Wat als het over jullie eigen dochters zou gaan?” Linda vertelt dat haar eigen dochters van 9 en 10 jaar oud er graag uit willen zien zoals popsterren op het internet: met korte rokjes, lange, blote benen en grote borsten. “Jullie zullen veel Noorse meisjes ontmoeten die eruitzien als popsterren maar eigenlijk onschuldig zijn,” waarschuwt ze. “Ik wil niet dat mijn dochter zo zou rondlopen,” reageert Adil uit Syrië, “als vader zou ik dat haar ook vertellen, maar ik zou haar niet straffen of zo.”

 

De deelnemers hebben nog geen Noors geleerd. Een tolk vertaalt wat cursusleidster Linda zegt naar het Arabisch. Maar er hangt spanning in het lokaal. Enkele deelnemers verstoppen zich onder een muts of achter hun jas, of liggen ongeïnteresseerd met hun hoofd op de tafel voor hen. Achteraan zitten een twintigtal journalisten van verschillende Europese media; de camera’s draaien en flitsen. De deelnemers voelen zich echter ongemakkelijk bij het gevoelige onderwerp en de media-aandacht. Ze willen niet in beeld komen.

De cursus wordt onderbroken. De leiding van het asielcentrum laat pizza aanrukken. Na een korte pauze is het ijs tussen de cursusleiding, journalisten en deelnemers gebroken. “Mijn zussen, vriendin en moeder zijn nog veel sexier dan de vrouw op de foto daarnet,” zegt Michael uit Syrië me met een knipoog. Waar hij vandaan komt, zijn de vrouwen ook vrij om hun eigen leven te leiden. Maar hij vindt het wel nuttig om over seksuele relaties te spreken: “Deze cursus helpt asielzoekers om de regels en normen te leren kennen, hoe je moet reageren op vrouwen. Velen hier zitten al lang in asielcentrum; dan hopen de frustraties zich op. De cursus beschermt zowel vrouwen als mannen.”

Ook een groep Soedanese deelnemers, die zich daarnet nog verstopten voor de camera’s, willen nu wel met me spreken op voorwaarde dat ze anoniem kunnen blijven. We zijn niet gegeneerd om over vrouwen en sex te praten, benadrukken ze. “We leren ook in Soedan op school dat we ons niet mogen vergrijpen aan vrouwen.” Maar de verschillen zijn groot: “Noorse vrouwen zien er helemaal anders uit. En mannen hebben macht over vrouwen in Somalië, dat is hier anders.”

Hoe zie ik aan een dronken meisje of ze sex wil?

Daarna gaat de cursus verder, deze keer zonder camera’s. Linda snijdt meteen het moeilijkste onderwerp aan: verkrachting en seksueel geweld. De deelnemers krijgen informatie over de Noorse wetgeving over verkrachting: iemand tot sex dwingen of meewerken aan verkrachting is verboden. Daders kunnen levenslange celstraf krijgen. De regering overweegt ook om asielzoekers die verkrachtingen of zware misdaden plegen, terug te sturen.

IMG_9409
Vluchtelingen uit Syrië bespreken hoe je ziet of een vrouw sex wil.

De deelnemers worden opnieuw in groepjes verdeeld en moeten bespreken hoe seksueel geweld in Syrië en Soedan wordt bestraft. Wie zijn de daders en slachtoffers en hoe worden ze behandeld? De deelnemers komen uit conflictgebieden waar verkrachting helaas veel voorkomt. Vooral vrouwen en kinderen worden het slachtoffer; over mannelijke slachtoffers wordt in hun landen maar zelden gesproken. De daders die worden gevat worden streng bestraft: ze worden verstoten of zelfs terechtgesteld. Helaas gaan velen vrijuit, vertellen de deelnemers. Of verkrachtte meisjes worden uitgehuwelijkt aan de daders. De deelnemers betreuren dat slachtoffers niet beter worden geholpen in hun thuisland. In Noorwegen, legt Linda uit, is het belangrijk om aangifte te doen van verkrachting bij de politie. Meisjes verliezen niet hun eer; het is belangrijk dat de daders worden gevat.

Maar soms is het niet is het niet zo eenvoudig. Een deelnemer uit Somalië vraagt zich af: “Hoe kan ik zien aan een dronken meisje of ze sex wil of niet?” Een ander twijfelt: “Als iemand met me meekomt naar huis, is ze het toch eens om sex te hebben?” Het gesprek verloopt nu veel gemakkelijker dan daarnet. Zo gaat het meestal, de deelnemers zijn verbazend open, vertrouwt Linda me toe.

Boos over misbruik in Keulen

Ze is voorzichtig om de deelnemers niet te stigmatiseren. “Ik denk niet dat jij, jij of jij verkrachters zijn,” zegt ze tegen enkele deelnemers op de eerste rij. “Maar jullie moeten voorzichtig zijn en aan jullie eigen reputatie denken. Het is oneerlijk, maar vreemdelingen krijgen nu eenmaal eerst de schuld. Samen moeten we ervoor zorgen dat we geen mogelijkheden scheppen voor verkrachters.” Het is zoals in een klas: één of twee pestkoppen kunnen de sfeer voor allen verpesten.

“Wat er in Keulen gebeurd is, is respectloos. Ik ben bang dat dit afstraalt op alle asielzoekers.”

De recente incidenten in Keulen en Stockholm, waar tientallen vrouwen werden aangerand tijdens publieke evenementen, lokken sterke reacties uit bij de deelnemers: “Dat is volstrekt onaanvaardbaar in gelijk welke cultuur,” zegt Michael. “Wat er daar gebeurd is, is respectloos voor de Europese bevolking, die ons verwelkomt. Ik ben bang dat dit afstraalt op alle asielzoekers.”

IMG_9410
Michael uit Syrië is bang dat het seksueel geweld in Keulen negatief afstraalt op alle asielzoekers

 

Golf van verkrachtingen

De Noorse cursussen over seksueel geweld voor asielzoekers startten na een golf van verkrachtingen in Stavanger, in 2009. De daders waren meestal buitenlanders. Net zoals in Keulen en Stockholm werd ook toen met een beschuldigende vinger naar de asielcentra in de buurt van Stavanger gewezen. De gemeente, politie, kerk en asielcentra in Stavanger sloegen daarop de handen in elkaar en ontwikkelden de cursus “Samen voor veiligheid”, waarin asielzoekers en werknemers van het asielcentrum in kleine groepjes praatten over seksueel geweld. De dialooggroepen gingen over verkrachtingen, maar ook huiselijk geweld en culturele normen.

Sindsdien worden de cursussen in asielcentra in het hele land aangeboden. Hier in Hå is het Hero, een privaat bedrijf dat meer dan zeventig asielcentra beheert in Noorwegen, dat de cursus organiseert. Alle inwoners van Hero’s asielcentra krijgen zo’n cursus aangeboden, zowel mannen als vrouwen, maar de asielzoekers zijn niet verplicht om deel te nemen. De interesse onder asielzoekers is echter groot. Tijdens de pauze komen enkele jongeren uit Somalië nieuwsgierig kijken aan ons lokaal. De leidster van het asielcentrum verzekert hen dat zij binnenkort aan de beurt zijn. Deze cursus is alleen in het Arabisch.

Verplicht maar duur

De Noorse dienst vreemdelingenzaken experimenteerde in 2013 en 2014 ook met verplichte cursussen. In elk asielcentrum werden twee mensen opgeleid om dialooggroepen over geweld te begeleiden. De cursussen werden georganiseerd door de verening Alternatief voor geweld. De overheid betaalde voor de tolken die de cursussen begeleidden. Begin vorig jaar, dus vóór de grote vluchtelingenstroom naar Noorwegen op gang kwam, besliste de regering echter dat ze niet langer voor de tolken zou betalen.

In een interview met de Noorse krant Dagbladet betreurde Alternatief voor geweld onlangs dat veel asielcentra de cursussen niet verderzetten. Een tolk gebruiken kost aldus de organisatie tussen 19.000 og 25.000 Noorse kroon per cursus, omgerekend tussen de 2000 en 2500 euro. Dat is een grote kost voor asielcentra. De private asielcentra van Hero zetten de cursussen wél voort,op eigen kosten.

Dat is niet goedkoop, geeft de leider van Hero Tor Brekke toe in een interview, maar hij vindt de cursussen noodzakelijk: “Het is een belangrijk deel van onze taak om bruggen te bouwen tussen onze samenleving en de nieuwkomers. Werken met een onderwerp dat mogelijk problemen kan opleveren, zoals verschillende culturele codes – hoe vrouwen zich kleden en gedragen en seksueel geweld, is erg nuttig.”

Overrompeld over interesse uit het buitenland

Tor Brekke, Hero, Admin. Dir
Tor Brekke van Hero: praten over seksueel geweld helpt om problemen te voorkomen. Foto: Hero Norge.

De interesse van buitenlandse media voor de Noorse ervaringen met cursussen over seksueel geweld is overweldigend sinds de incidenten in Keulen en Stockholm. Hero heeft een van de grote communicatiebedrijven uit Noorwegen onder de arm genomen om hen bij te staan met de stroom aan interviewaanvragen uit het buitenland. Brekke is trots maar ook een beetje verrast door de grote aandacht uit het buitenland voor de cursus: “Het is geen toverformule. Wat we doen is een arena bieden om in een veilige omgeving gesprekken te voeren over deze moeilijke thema’s.”

De Noorse regering bekijkt op dit ogenblik nieuwe mogelijkheden om de cursussen te financieren en ook verplicht te maken. De nieuwe minister voor asiel en integratie vindt het erg belangrijk om asielzoekers Noorse waarden bij te brengen. Brekke hoopt dat de Noorse regering de cursussen zal blijven ondersteunen en raadt ook België en andere landen aan om gelijkaardige cursussen te organiseren: “Ik weet niet of de cursussen incidenten zoals in Keulen of Stockholm kunnen voorkomen. Het is in elk geval een stap in de goede richting en veel beter dan de problemen te verzwijgen.”

Noorwegen – model voor de Britten na de Brexit?

Veel Britten die liever uit de Europese Unie willen stappen, verwijzen naar de Noorse samenwerking met de EU als een goed model. Wat is dat model?

Noorwegen zit in de Europese Economische Zone, waardoor het producten kan in- en uitvoeren naar en vanuit Europa, alsof het een lid zou zijn van de Unie. Noorse wetenschappers kunnen ook meedingen naar Europese subsidies voor wetenschappelijk onderzoek en de Noren kunnen als lid van de Schengenzone vrij naar Europa reizen.

Vanuit Brits perspectief kan dat een aanlokkelijk model lijken: de Noren genieten mee van de voordelen van samenwerking, zonder lid te moeten zijn van de EU. Lidmaatschap is immers niet aan de orde: in peilingen zeggen drie kwart van de Noren NEE tegen nauwere samenwerking tegen de EU en het NEE-kamp is de afgelopen jaren alleen maar gegroeid. (Lees meer daarover in een eerdere blog van mij.)

Noorse regering op campagne tegen Brexit

De meeste Noorse politici vinden die samenwerking echter niet optimaal. De Noorse regering is de afgelopen maanden zelfs meerdere malen naar Londen gereisd om daar Britse JA-kamp te gaan ondersteunen. De Noorse premier legde onder meer in het BBC-programma Hardtalk uit waarom dat Noorse samenwerkingsmodel geen goed alternatief is voor de Britten: Noorwegen moet grote delen van de Europese wetgeving overnemen om toegang te krijgen tot de Europese markt, maar het zit niet mee aan tafel als over die regels wordt gestemd. Over drie vierden van zijn wetgeving beslist Noorwegen dus niet zelf.

Dat is geen goed model, gaf ook de Britse premier Cameron toe op een persconferentie na de Europese top over de Brits-Europese samenwerking, gisterenavond in Brussel: “We moeten in de EU blijven; we willen niet zoals Noorwegen worden.”

Het kan gek lijken dat een land dat zelf geen lid wil worden van de EU, campagne voert om het Verenigd Koninkrijk in de Unie te houden. De verklaring is dat Noorwegen erg afhankelijk is van de Europese Unie – het is hun grootste afzetmarkt, dus ze zijn bekommerd over welke richting de Unie uitgaat. De Britse lijn – pro vrijhandel, tegen Europese regelneverij – sluit nauw aan bij hoe de Noren de EU graag zien.

Het Noorse NEI til EU, de tegenstanders van de Noors-Europese samenwerking, zijn overigens ook campagne gaan voeren in Londen – VOOR een Brexit. Zij wijzen erop dat je ook van buitenuit goed handel kan drijven met de EU, zonder je onafhankelijkheid op te geven.

Concurrentieel nadeel

Ik was benieuwd naar hoe de Noorse exporteurs dat zelf inschatten en ben gaan praten met twee visexporteurs: Lofoten fisk, dat op beperkte schaal gerookte zalm en visburgers uitvoert, en Norway Seafoods, dat drie vierden van zijn waren uitvoert naar de EU (onder meer naar het Verenigd Koninkrijk, Frankrijk en de Benelux).

IMG_1250
’s Morgens vroeg in de vismijn van Oslo wordt de vis van Lofoten fisk verpakt voor de verkoop aan restaurants en groothandelaars

Vis is Noorwegens belangrijkste exportproduct, na olie en gas. Noorse visbedrijven voeren elk jaar meer dan twee miljoen ton vis uit naar de EU, ter waarde van bijna vijf miljard euro in 2015.

Het probleem is echter dat vis niet onder de vrijhandel valt: Noorwegen moet tol betalen op de vis die het uitvoert naar Europa. Voor verwerkte vis is de tol 13%; voor onverwerkte vis 2%. Tel daar ook nog de administratieve kosten bij: de Noorse exporteurs moeten allerlei documenten voorleggen aan de douane.

Die kostenposten zijn een belangrijk concurrentieel nadeel voor de Noorse visexporteurs, want hun Europese collega’s kunnen wel tolvrij vis invoeren in Noorwegen. Het gevolg is dat Noorwegen vooral onverwerkte vis uitvoert, die op grote schaal wordt verwerkt in bedrijven in de EU. Heel wat Noorse bedrijven hebben hun verwerkende activiteiten dan ook verplaatst naar bijzetels binnen de grenzen van de EU. Dat betekent echter een verlies aan Noorse jobs en meerwaardecreatie. En dat is, aldus de visexporteurs, ook nadelig voor de consumenten: vis wordt best zo vers mogelijk verwerkt, als ze net uit de zee komt en niet honderden of duizenden kilometers verder.

De handel met Europa is ook onvoorspelbaar, klagen de exporteurs, want er moet iedere paar jaar weer onderhandeld worden met de EU over de quota en toltarieven.

Gemengde gevoelens voor de EU

Zou het dan beter zijn voor de Noorse visexporteurs om lid te zijn van de EU? Het zou het zeker makkelijker maken om handel te drijven, menen de visexporteurs. Maar het is geen eensgezind en volmondig JA. Vis is net één van de hoofdredenen waarom de Noren NIET willen aansluiten bij de EU: ze willen de controle over hun natuurlijke rijkdommen, zoals vis, olie en gas, niet aan Brussel overlaten. De visindustrie heeft dus, net als de rest van de Noorse bevolking, gemengde gevoelens over de Europese Unie. Net zo gemengd wellicht als de Britten.

 

Noorse onbegrip voor Zwarte Piet

De Noorse julenisse en Sinterklaas uit de Lage Landen – op veel vlakken lijken ze goed op elkaar. Ze hebben allebei een baard, rode kleren en ze delen beiden pakjes uit aan de kinderen in december. Mijn Noorse collega’s noemen Sinterklaas “de Nederlandse kerstman”. De Noren hebben echter geen hoge pet op van Zwarte Piet. Een Noorse krant klasseerde onze Sinterklaas zelfs onder “ ’s werelds raarste kersttradities”. 

Racistisch

De Noorse media ontdekten Zwarte Piet twee jaar geleden, toen ook in Nederland en België de discussie raasde of Sinterklaas’ helpers al dan niet racistisch waren. Voor de Noorse media is het antwoord op die vraag duidelijk: ja, de pieten zijn racistisch en niet meer van deze tijd.

De Noorse krant Aftenposten vergeleek Zwarte Piet met racistische vaudevilles in de Verenigde Staten in de negentiende eeuw: “Behalve de clownachtige kleren, doet Zwarte Piet denken aan de schminck die blanke toneelspelers gebruikten in de zogenaamde minstrel shows. Blackface ziet eruit alsof hij een dikke laag schoenpoets heeft aangebracht en dan knalrode lippenstift. In de Verenigde Staten wordt die make-up beschouwd als racisme.”

De journalist keek met Noorse ogen naar onze traditie en vroeg zich af: “Wat als de julenisse geen rendieren gebruikte, maar zijn last liet dragen door kleine jongens met een donkere huid? Zouden wij dit OK vinden?” Hij ging nog verder: “Hoe zouden wij reageren als die kleine helpers niet alleen peperkoekjes en geschenken uitdeelden aan de brave kinderen, maar de niet-zo-brave kinderen slaag geven en de stoutste in een zak meenemen naar Spanje?”

“Wat als de kerstman geen rendieren gebruikte, maar zijn last liet dragen door kleine jongens met een donkere huid? Zouden wij dit OK vinden?” Noorse krant Aftenposten over Zwarte Piet

Vooringenomen

De Nederlanders en Belgen in Oslo hebben weinig begrip voor de harde toon van de Noorse media. “Ik heb enkele jaren geleden lang met een journalist van NRK gesproken,” vertelt Katrijn De Groot, de directeur van NTC Het Noorderlicht, dat samen met de Nederlandse club het jaarlijkse sinterklaasfeest in Oslo organiseert. “Maar de journalist was erg vooringenomen en luisterde niet naar mijn verhaal over de tradities. Hij stelde zich agressief op tijdens ons Sinkerklaasfeest. Dat was jammer.”

Desondanks is Zwarte Piet zwart gebleven op de Nederlandse school; de pieten zelf wilden het zo. “Ook bij ons is Zwarte Piet nog zwart,” zegt de Belgische ambassadeur Nancy Rossignol.

De aandacht van de Noorse media voor het verhaal is intussen verdwenen. Dit jaar waren er geen Noorse journalisten meer te bekennen op het Sinterklaasfeest bij de Nederlandse club en de Belgische ambassade.

Nieuwe naam voor Pipi’s papa

3325910095_3700ae65aa_m
Nieuwe naam voor Pipi Langkous’ papa. Foto Flickr – Marjon Kruik

Maar hoe zit het met de Scandinavische cultuur en tradities? Zijn er ook hier dingen die onder vuur liggen omdat ze racistisch zijn?

Het verhaal van Pipi Langkous is u wellicht bekend. De vader van de ’s werelds sterkste meid uit Zweden heette oorspronkelijk “negerkoning”, maar werd door de Noorse en later ook Zweedse omroep omgedoopt in “Zuiderzeekoning”. Intussen verwijderde de Zweedse uitgever het n-woord ook uit de nieuwe uitgaven van de Pipi-boeken.

Enkele jaren geleden was er ook discussie rond de gevierde Noorse kinderauteur Torbjørn Egner – de Astrid Lindgren van Noorwegen, zeg maar. Behalve de klassiekers Karius en Baktus (hier in Nederlandse vertaling) en Het volk en de rovers in Kardemomstad, schreef Egner in de jaren vijftig ook een pietenliedje over de hottentot “Vesle Hoa”. Het liedje ging zo:

Er was een kleine negerjongen die heette Kleine Hoa.
Hij had een veer op zijn hoofd en een ring aan zijn duim.
Hij had enkel een broek aan, een broek van stro
Maar Hoa vond zijn broek mooi, want hij was een echte hottentot.

Hij woonde in een negerdorp, dat doen de hottentotten
Daar woonden ook de koning en zijn onderdanen
De koning was dik en blij en had een ring in zijn neus
Dat vond hij mooi, want hij was een echte hottentot.

De Noorse media, die uitgebreid over de discussie over Pipi Langkous hadden bericht, vroegen zich af of ook dat liedje nog wel door de beugel kon. In 2007 zwichtte de uitgeverij voor de druk en haalde het liedje uit nieuwe edities van het verzameld liedboek van Egner.

Een Zweedse regisseur vond overigens dat ook het populaire verhaal over Kardemomstad verboden zou moeten worden vanwege zijn facistische ideeëngoed, maar dat was een maat te ver voor de Noren. Volgens critici was de Zweedse regisseur overdreven politiek correct en had ze een gebrek aan humor. Het verhaal over Kardemomstad valt in elk geval moeilijk te slijten in Zweden; van Egners werken wordt er alleen Karius en Baktus verkocht.

Mag de Noorse kerstman ook eens zwart zijn?

Een aantal bekende Noorse voedingsproducten veranderden ook met stille trom hun merknaam: negerkulør werd sukkerkulør en Black boy kruiden worden nu verkocht als Toro. Daar zijn echter geen grote discussies aan voorafgegaan.

IMG_0252
Lucia-meisjes in de Zweedse kerk in Oslo. Foto Elisabeth Lannoo

Hier en daar rijzen vragen over de Zweeds-Noorse Lucia-traditie – een optocht voor kinderen in witte jurken en met kaarsjes in de hand, met het mooiste blonde meisje voorop – elk jaar rond 13 december. Is dat in deze multiculturele tijden nog wel aanvaardbaar? In Zweden is er overigens discussie over de bruine peperkoeken mannetjes (pepperkakargubbar) in de Luciastoet: meer en meer scholen willen die Zweedse versie van Zwarte Piet niet meer in de stoet wegens te aanstootgevend.

Noorwegen is er alvast in geslaagd om de jaarlijkse kinderstoet op de nationale feestdag 17 mei includerend te maken: blank en gekleurd stappen vrolijk samen op en eten allemaal worstjes – mét vlees, halal of vegetarisch.

Maar wat met de sterke Noorse kersttraditie, met marsepeinen varkentjes en traditionele varkensrib op het menu? Excludeert die de niet-christenen niet? En zou de julenisse ook eens zwart mogen zijn? Het zijn vragen die elk jaar weer terugkomen in de media, maar voorlopig laait de discussie niet zo hoog op als de discussie over de pieten in Nederland en België.

Dit is een bewerking van een artikel dat ik geschreven heb voor De Hollandse Nieuwe in december 2015.

1500 vluchtelingen per dag – wat doet dat met een land?

Een recordaantal vluchtelingen zoekt onderdak in Zweden. De Zweedse welvaartstaat kraakt in zijn voegen en de polarisering groeit. Vluchtelingen zijn niet langer zo welkom in Zweden.

Zweden haalde de voorbije weken het nieuws met dramatische koppen: een golf van brandstichtingen in asielcentra. Een racistisch geïnspireerde moordaanval op scholieren. En gisteren een boodschap van de minister van migratie: we kunnen al die vluchtelingen niet langer een dak boven het hoofd bieden.

Die berichten staan in schril contrast met het beeld dat de meesten van ons hebben van het tolerante Zweden. Enkele weken geleden, toen Denemarken nog Duitse treinen met vluchtelingen tegenhield, zei de premier dat alle vluchtelingen asiel mochten zoeken in Zweden. In de grote steden zagen we massademonstraties van Zweden die de vluchtelingen welkom heetten.

Decennialang heeft Zweden een opengrenzenpolitiek gevoerd, of er nu socialisten of conservatieven aan de macht waren. Het heeft grote groepen vluchtelingen uit de Balkan, Irak en Somalië opgevangen en geïntegreerd – zonder dat dat tot grote protesten of politieke tegenstellingen leidde.

Het debat in Zweden staat in schril contrast met dat in de buurlanden of in België. Er wordt nauwelijks gedebatteerd over vluchtelingen en migratie. Of toch zeker niet over integratieproblemen – dat is taboe.

De enige partij die de problemen in de arme concentratiewijken rond de grote steden onder de aandacht brengt zijn de extreem-rechtse Zweden-Democraten. Zij lanceerden onlangs een petitie met een oproep om de grenzen sluiten. Lokale afdelingen van de partij speelden in op de branden in asielcentra door een lijst te publiceren van toekomstige opvangplaatsen. De partij schrikt niet terug van ruige taal.

Voorlopig slagen de Zweden-Democraten er echter niet in om het publieke debat te veranderen. De andere politieke partijen hebben een cordon sanitaire gesloten rond de partij. Ook de media schrijven opvallend weinig over integratieproblemen. De groeiende groep van ontevreden Zweden kan zijn grif alleen kwijt op sociale media, waar haatboodschappen floreren. Het blijft echter een relatief kleine groep. De rijke stedelingen of inwoners uit de landelijke gemeenten die niet direct met de vluchtelingen worden geconfronteerd, reageren door zich extra tolerant op te stellen. Vóór en tegen drijven steeds verder uiteen.

De vraag is of de rijke stedelingen even tolerant blijven als hun kinderen door de vluchtelingenstroom geen plaats krijgen op school of in de kinderopvang, of langer moeten wachten op een dokter.

Nu slaat de regering echter een nieuwe toon aan, geconfronteerd met een groeiende vluchtelingenstroom. Elke dag steken 1500 nieuwe vluchtelingen de Zweedse grens over. Tegen het einde van het jaar zal hun aantal oplopen tot 160.000 tot 190.000. Dat zijn enorme getallen voor een middelgroot land met bevolking ter grootte van de Belgische.

Er is een enorm opvangprobleem: de migratiedienst moest gisteren matrassen leggen in zijn kantoren. De dienst kan de toestroom niet meer aan. De regering heeft de asielvoorwaarden verstrengd. De premier vraagt zijn Europese collega’s om geld en om vluchtelingen over te nemen.  Het is een duidelijke boodschap aan de vluchtelingen die noordwaarts willen trekken: Zweden is niet langer het land waar iedereen welkom is.

Wellicht duurt het nog enkele maanden voordat ook de rijke stedelingen hun discours veranderen. De vraag is of zij even tolerant blijven als hun kinderen door de toestroom van vluchtelingen geen plaats krijgen op school of in de kinderopvang, of niet meteen bij een dokter terecht kunnen. De uitdaging waar de Zweedse samenleving voor staat is enorm en zonder open debat zal de polarisering blijven groeien.

Dit artikel verscheen als opiniebijdrage in De Morgen op 7 november 2015

Over drinkende Noren, staatswijnhandels en bierbrouwen

Maandag worden gemeenteraadsverkiezingen gehouden in Noorwegen. Voor het eerst in de vaderlandse geschiedenis mag er op een verkiezingsdag alcohol worden verkocht. Verkiezingsdag mag dan al zijn vrijgegeven, er blijft nog een lange lijst van dagen waarop in Noorwegen géén alcohol mag worden verkocht: Kerst, Pasen, Nieuwjaar, alle zon- en feestdagen, 1 mei en de nationale feestdag 17 mei.

Noorwegen heeft een erg strikt alcoholbeleid. Wijn, sterke bieren en sterke drank zijn alleen in staatswijnhandels te koop – de zogenaamde Vinmonopolet, letterlijk vertaald “wijnmonopolie”. Toen ik voor het eerst in een Vinmonopolet binnenging, een dikke tien jaar geleden, leek het wel een apotheek of een ouderwets postkantoor. Er waren geen rekken met wijn, zoals bij ons in de supermarkt. De winkel was slechts een lege ruimte, met achter een hoge balie streng ogende, oudere dames in grijze hemden. Je moest in een catalogus aanduiden welke wijn je wou. De dame verdween tussen de rekken achter de balie en kwam terug met een fles in een ondoorschijnende, zwarte plastic tas.

In het Volksmuseum in Oslo kan je zien hoe Vinmonopolet er enkele decennia geleden uitzag. De laatste jaren is er een frisse wind door Vinmonopolet gewaaid. De winkels zien er nu uit als een betere wijnhandel bij ons. Je kan tussen de rekken met vele honderden flessen lopen om te kiezen, en als je zelf niet kan kiezen, kan je raad vragen aan één van de vele vriendelijke wijnexperts in de winkel die je met veel genoegen vertellen welke wijn het beste smaakt bij wat je gaat eten. De voorbije jaren zijn ook vele nieuwe Vinmonopolet-winkels opengegaan en zijn de openingsuren drastisch uitgebreid.

Wat helaas niet is veranderd zijn de absurd hoge prijzen voor alcohol. Voor een goede fles bier, van een halve liter, tel je meer dan 10 euro neer. Ook voor een fles goedkope wijn moet je minstens 10 euro neertellen. Per fles wijn moet je een heffing betalen van een dikke vijf euro; daar bovenop betaal je ook nog eens 21% meerwaardebelasting. Wijn drinken in Noorwegen is dus een dure grap.

Gewone pils (tot 4,5% alcohol) kan je wel in de supermarkt kopen. Maar ook daar gelden beperkingen: terwijl de meeste supermarkten tot laat ’s avonds open zijn, kan je na 20u (en op sommige plekken na 19u) géén bier meer kopen. Die regel wordt streng toegepast: onlangs moest ik om 20u02 twee blikjes bier achterlaten aan de kassa. Ik probeerde nog te argumenteren dat ik vóór 20u aan de kassa was gekomen, maar de dame achter de kassa was onvermurwbaar. Ook de import van wijn is streng beperkt: per persoon mag je maximaal 6 flessen wijn belastingsvrij het land binnenbrengen.

De hoge taksen en de restricties op de verkoop van alcohol werden in 1920 ingevoerd als reactie op het wijdverspreide alcoholisme in Noorwegen. De bedoeling is om het verbruik van alcohol te beperken. Werkt het ook?

Op gewone werkdagen wordt zeker minder alcohol gedronken dan in veel andere Europese landen. Dat hangt ook samen met de nultolerantie voor alcohol in het verkeer en zeker ook met een sociaal stigma: overdag drinken is iets voor alcoholverslaafden. Een biertje na het werk of een glas wijn ’s avonds kan eventueel als je iets te vieren hebt, maar het is zeker geen gewoonte zoals elders op het Europese continent.

Maar als de Noren feesten vloeit de alcohol even rijkelijk als in andere Europese landen. Het verbruik stijgt ook, in tegenstelling tot de trend in andere Europese landen: volgens het Instituut voor Volksgezondheid drinken de Noren nu 40% meer dan 20 jaar geleden. Het jaarlijkse gemiddelde alcoholverbruik per volwassen Noor (ca. 8 liter) blijft wel onder het Europese gemiddelde (11 liter). Het verbruik daalt ook onder jongeren.

Veel Noren kopen hun drank niet in de Vinmonopolet winkels: zelf je eigen bier brouwen is een grote rage. Ook de verkoop in taxfree winkels in de luchthavens floreert. Zoals veel andere Noren heb ik het afgelopen jaar de meeste van mijn wijn op de luchthaven gekocht, en niet in Vinmonopolet. Voorlopig stelt echter niemand het systeem van de staatswijnhandels ter discussie. Zeker niet nu er winkels bijkomen en de openingsuren worden uitgebreid. Nu kunnen de Noren zelfs op verkiezingsdag een fles kraken op het kiesresultaat. Skål, dat de beste mogen winnen!

Vier jaar na Breiviks aanslagen

Het was een regenachtige dag, 22 juli 2011. We waren aan zee, in het zuiden van Noorwegen, en waren even binnen gegaan om droge kleren aan te doen. Rond kwart voor vier ’s namiddags hoorden we op de radio over de ontploffing in het centrale regeringsgebouw in Oslo. 

Zo’n drie kwartier later was ik live op de radio in België: het was toen reeds duidelijk dat het om een aanslag ging, met een bomauto. Op camerabeelden was gezien hoe iemand gekleed in een uniform van een veiligheidsagent het gebouw had verlaten, weggereden was met de wagen, vlak voor de ontploffing.

Wie zou achter de aanslag zitten? Misschien moslimterroristen, die wilden protesteren tegen de Noorse deelname in de NAVO-operatie in Afghanistan? De één na de andere expert kwam aan het woord op de radio, maar er was nog veel onduidelijkheid.

Wij probeerden zelf intussen in contact te komen met een vriend van ons die voor de eerste minister werkte. Gelukkig was hij niet op kantoor op het moment van de aanslag.

Ik bracht verslag uit in het radionieuws van 17u en maakte me klaar om met de auto naar Oslo te vertrekken, zo’n driehonderd kilometer verderop. Toen ik in de wagen zat kwam het nieuws binnen van een schietpartij op Utøya – een klein eilandje in één van de vele fjorden in de buurt van Oslo. Op Utøya was op dat ogenblik het jaarlijkse zomerkamp aan de gang van de jong-socialisten. Er waren meer dan 500 jongeren bijeen, vanover het hele land.

De verwarring was groot. Was er een verband tussen Oslo en Utøya? Wat was er daar precies aan het gebeuren? Hoeveel slachtoffers waren er? Via sporadische sms-sen konden enkele jongeren vanop het eiland laten weten dat ze nog in leven waren, maar dat het schieten nog door ging. Rond 18u  nam de dader zelf contact op met de politie, om te melden dat hij zich wou overgeven, maar het contact werd verbroken.

Waarom duurde het zo lang voordat de reddingsoperatie op gang kwam? Een boot van de politie wou niet opstarten. Intussen vaarden privé-personen met kleine motorbootjes naar het eiland om jongeren te redden. De politie zocht naar manschappen die zo’n crisissituatie te baas konden.

Pas om 18u30 kon de dader worden overmeesterd door de politie. Hij had een uur lang huisgehouden op Utøya en tientallen jongeren neergeschoten, op een koele en berekende manier. Hij had de jongeren die zich in het bos verschuilden achtervolgd en geschoten op zij die probeerden weg te zwemmen.

Op de autoradio hoorde ik oproepen om dringend bloed te komen geven en verslagen over crisistoestanden in de spoeddiensten van de ziekenhuizen. Toen ik een paar uur later aankwam in Oslo, was de Noorse hoofdstad merkwaardig leeg. Ik reed tussen de legertanks naar mijn hotel. Al wie niet in de hoofdstad moest zijn, werd buitengehouden en de inwoners hadden de raad gekregen om binnen te blijven.

In de eerste tv-toespraken en interviews laat op de avond konden de premier en minister van justitie bevestigen dat er één man achter zowel de aanslagen in Oslo en op Utøya stond. De dader was gevat en hij had wellicht alleen had gehandeld. Het was een Noor.

De volgende ochtend werd zijn naam over de hele wereld bekend: Anders Behring Breivik. Een extreem-rechtse computerspelfanaat, die jarenlang in stilte deze aanslagen op zijn eentje had voorbereid en ook een lang racistisch manifest had geschreven. Hij voelde zich verwant met allerlei extreem-rechtse bewegingen in Europa, maar had alleen gehandeld.

Een jaar later werd hij tot 21 jaar cel veroordeeld. Hij had 77 mensen gedood, 33 mensen verwond, en vele honderden Noorse levens voorgoed getekend.

IMG_0771
Resten van Breiviks bomauto in het nieuwe 22-julicentrum in Oslo

Nooit meer hetzelfde

Op 22 juli 2015, precies vier jaar na de aanslagen, gaat in Oslo een herdenkingscentrum open in het kapotgeblazen regeringsgebouw. Er zijn foto’s van alle 77 slachtoffers, videobeelden van bewakingscamera’s, en een tijdslijn die minuut voor minuut het verhaal vertelt van de noodlottige namiddag en avond. Er zijn ook citaten uit de rechtzaak en videogetuigenissen van overlevenden.

“Het doet natuurlijk nog pijn voor de slachtoffers en voor de hele maatschappij, maar het is tijd om het verhaal te vertellen wat er gebeurd is en tot denken aan te zetten,” vertelt de verantwoordelijke minister Jan Tore Sanner mij in een interview. “Het is de plicht van een maatschappij om kennis over te dragen en openheid te promoten.”

“Het is belangrijk om een plek te hebben waar men over de gebeurtenissen kan spreken en het feit dat dit herdenkingscentrum gevestigd is in het gebouw waar de aanslag plaatsvond, maakt het extra authentiek,” vindt Clifford Chanin van het 9/11-memorial in New York, die de Noorse regering heeft bijgestaan in het ontwerp van het Noorse herdenkingscentrum.
“22 juli” zal een keerpunt blijven in de Noorse na-oorloogse geschiedenis. Noorwegen is zijn onbekommerd veiligheidsgevoel kwijt. Maar de aanslagen hebben het Noorse volk ook dichter bij elkaar gebracht.
Geen Breivikmuseum
Breiviks valse politie-identificatie is te zien in het herdenkingcentrum
Breiviks valse politie-identificatie is te zien in het herdenkingcentrum

Ook de resten van de opgeblazen auto van Breivik zijn te zien in de tentoonstelling, net als zijn vervalste politiebadge en een zakdoek met een Noorse vlag. Vele Noren reageerden geprikkeld toen in de media bekend raakte dat die persoonlijke spullen van de terrorist ook werden tentoongesteld. “Ze maken er een Breivik-museum van en die aandacht verdient hij niet,” zo luidde de kritiek.

Maar de slachtoffers die het herdenkingscentrum de voorbije dagen als eersten mochten bezoeken, vinden de kritiek onterecht. “Het is een deel van de geschiedenis, dus die spullen horen hier thuis,” zegt Erik Kursetgjerde.
“Ik vind de tentoonstelling erg respectvol. Het gaat vooral over wat er op die dag gebeurde, en niet over de terrorist zelf.”

Kursetgjerde kon vier jaar geleden ontkomen aan het vuur van Breivik op Utøya. Hij vluchtte van de cafetaria naar het pomphuis en zag hoe Breivik daar vele van zijn kameraden ombracht. Daarna verstopte hij zich aan het water en zwom uiteindelijk voor zijn leven. Hij kreeg krampen, maar werd net op tijd opgepikt door een privé-bootje dat te hulp was gesneld.

De tijdslijn in het herdenkingscentrum roept de chaos weer op.
“Het was pijnlijk om te zien hoeveel schakels in de Noorse reddingsdiensten in gebreke bleven,” aldus Kursetgjerde. De reddingsdiensten hebben hier helaas nog niets uit geleerd.”
De foto’s zien van zijn kameraden vond echter hij het moeilijkste: het besef dat ze allemaal om het leven zijn gekomen, en hoeveel geluk hij heeft gehad.
“Je voelt je een beetje schuldig, maar voelt toch vooral respect voor de anderen die hun levens hebben gegeven.”
Utøya terugnemen

Op Utøya, op een open plek in het bos, is een grote ijzeren ring tussen de bomen gehangen met daarin de namen gegrift van de 69 mensen die op het eiland omkwamen. 

Begin augustus houden de jong-socialisten van AUF voor het eerst sinds 2011 weer hun traditionele zomerkamp op het eiland. De voorbije vier jaar hebben tientallen AUF-vrijwilligers het eiland met de hand opgeruimd. Erik Kursetgjerde vindt het belangrijk om terug te gaan.
“Utøya is al zeventig jaar het hart van de arbeidersbeweging. We laten onze traditie niet afbreken door deze lafaard (Breivik).”
Niet iedereen is gelukkig met AUF’s beslissing om het eiland terug in gebruik te nemen. Familieleden van enkele slachtoffers hadden de plek waar hun kinderen werden neergeschoten, liefst onaangeroerd gelaten. Er was dan ook hevig protest toen AUF de gebouwen waar zoveel jongeren werden neergeschoten, wou afbreken. Uiteindelijk is er een compromis gevonden: de oude gebouwen blijven grotendeels gespaard en er worden nieuwe gebouwen bijgebouwd, die ook als herdenkingscentrum zullen dienen.
Een selectie boeken over 22 juli 2011
Een selectie boeken over 22 juli 2011 in het herdenkingscentrum

“22 juli” verwerken is een proces dat nog vele jaren zal duren in de Noorse samenleving en waarover zeker nog vele boeken en blogs geschreven zullen worden. Maar met het nieuwe herdenkingscentrum in Oslo en de terugkeer naar Utøya zijn alweer twee belangrijke stappen gezet.